COVID-19: de opsporing van besmette contacten versus respect voor privacywetgeving

 28/05/20

Nieuws

 COVID-19

In een vorig artikel kon u lezen dat bedrijven hun werknemers (zonder symptomen) kunnen testen op mogelijke COVID-19-besmetting, op voorwaarde dat zij hiertoe niet verplicht worden. Bovendien mogen werkgevers geen inzage krijgen in de testresultaten.

Maar hoe zit het met de bescherming van de privacy van testpersonen en hun contacten? Hoe waterdicht is het wettelijk (privacy)kader achter digitaal en manueel contactonderzoek?

De Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) zet grote vraagtekens bij de mogelijkheid om besmette personen – en vooral hun mogelijk besmette contacten – in kaart te brengen en te waarschuwen. Nochtans is deze procedure een cruciale schakel in het indijken van een verdere verspreiding van het COVID-19-virus.

Enkele weken geleden wou de federale regering een app lanceren die mensen zou waarschuwen wanneer ze in de buurt van een besmette persoon zouden komen. Er kwam een wetsvoorstel dat parallel de ‘nodige waarborgen voor de bescherming van persoonsgegevens’ moest voorzien. Lees: een vrijwillig gebruik van de app, een versleutelde en anomieme communicatie tussen gsm’s en het federale kenniscentrum Sciensano als draaischijf waarlangs alle informatie passeert.

De lancering van deze app werd recent echter on hold gezet (vanwege de combinatie technische hindernissen en tikkende privacytijdbom) en vervangen door een systeem van telefonische contactopvolging door een callcenter. Deze preventieve methode is niet nieuw, want ze wordt wereldwijd gebruikt om de verspreiding te beperken van ziektes zoals meningitis of mazelen. Contactonderzoek in België is een historische samenwerking tussen het Waalse AVIQ, de Diensten van het Verenigd College (COCOM) in Brussel, het Vlaamse Agentschap Zorg en Gezondheid en het Ministerie van de Duitstalige Gemeenschap.

Nu blijkt dat ook deze manuele contactopvolging niet doeltreffend gebeurt (met contactpersonen die moeilijk of niet bereikbaar zijn of vragen die niet beantwoord (willen) worden), steekt de herlancering van een digitale applicatie opnieuw de kop op, onder leiding van de Leuvense cryptograaf Bart Preneel. De reden? Specialisten vinden het gebruik van dergelijke app minder invasief in vergelijking met telefonische track and trace. En ook nu blijven ‘vrijwilligheid’, ‘decentralisatie’ en ‘bluetooth’ de codewoorden.

De GBA stelt dat andere landen ingrijpendere technieken hanteren. In Polen wordt er elke twintig minuten een foto genomen, in Frankrijk worden alle gegevens die de apps verzamelen centraal bijgehouden en Spanje wilde bepaalde zaken tot voor kort verplichten. Maar in ons land moeten de wettelijke spelregels voor de lancering van een app kristalhelder opgesteld zijn om onbedoeld misbruik te vermijden.

De privacywaakhond stelt zich ook erg kritisch op over de telefonische contactopsporing via callcenters en ziekenfondsen. Waarom moeten privacygevoelige persoonlijke gegevens – zoals contactgegevens, rijksregisternummers en medische informatie – verzameld worden in een centrale databank van Sciensano?

Hoe dan ook kunnen een digitale app en manuele contactopvolging perfect complementair zijn. Een app houdt enkel bij wie met wie contact had, terwijl telefonisch onderzoek de aard van het contact en dus ook het besmettingsrisico kan inschatten. Maar voor een optimale werking van beide systemen is robuuste wetgeving nodig die geen ruimte geeft aan interpretatie of twijfel.

INNI redactie

Bronnen:

https://www.standaard.be/cnt/d...

https://www.info-coronavirus.b...

https://www.standaard.be/cnt/d...

COVID-19: de opsporing van besmette contacten versus respect voor privacywetgeving

Uw browser wordt niet ondersteund. Update uw browser voor meer veiligheid, snelheid en om deze site optimaal te kunnen gebruiken.